Preek 25 december 2007

ds. R. Koopmans, , Jozefkerk Assen
Jesaja 9:1-6
Lucas 2:1-20


Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Het lijkt tegenwoordig een beetje mode te zijn om wat meewarig over het Kerstfeest te doen.

Van alle kant wordt ons verteld dat het maar een laatkomertje is onder de kerkelijke feesten, en dat de eerste christenen het helemaal niet vierden. De kerk heeft eigenlijk maar handig meegelift op de populariteit van de heidense midwinterfeesten om de geboorte van Christus tot een volksfeest te maken.

En zeker, ons kerstfeest zit zodoende vol heidense symboliek. De kerstboom is er maar één van. Maar hij is wel “gekerstend”. Christelijk gemaakt, betekent dat. Dus wat is er mis mee. Helemaal niks.

En een laatkomertje. Dat hoeft geen nadeel te zijn. Het is toch geen wonder dat de christelijke kerk er een paar eeuwen over doet om te doorgronden wat ons in Jezus allemaal geschonken is. Het is geen wonder dat zij de waarde van Jezus’ gebóórte pas op termijn is gaan zien. Dat de kerk haar best doet om in haar boodschap aan te sluiten op waar de mensen zich bevinden, dat is zo gek nog niet.

Vieren de mensen de zonnewende, nu: Christus is de Zon, die de grote wending brengt. Viert men de terugkeer van het licht, nu: Christus is hét Licht dat in de wereld schijnt. Hij is de stralende Morgenster. Halen wij een boom in huis die altijd groen blijft, nu Christus is dé groene boom geplant aan levend water.

De komst van Jezus Christus in de wereld is het meer dan waard om gevierd te worden, massaal. Dat heeft de kerk begrepen, dat heeft het volk begrepen en ergens begrijpt men het nog steeds.

Want Jezus Christus is een Godsgeschenk!

Niet voor niets is de lezing uit Jesaja 9 de vaste lezing voor in de Kerstnacht. Wij lezen hem vanmorgen op de Kerstdag, anders vallen de bezoekers van de dagdienst altijd buiten de boot. De profetie is groots, spreekt van grote vreugde:

“U, God, hebt het volk weer groot gemaakt, diepe vreugde gaf U het, als bij de oogst of bij het verdelen van de buit.”

Alsof ze een cadeau uitpakken, zo blij zijn de mensen!

Wat is de reden van die blijdschap? Die is heel concreet, die komt ons zelfs misschien wat politiekerig over. Een algehele bevrijding van het volk. Revolutionair!

“Het juk dat op hen drukte, de stok op hun schouder, de zweep van de drijver, u hebt ze verbrijzeld. Iedere laars die dreunend stampte en elke mantel waar bloed aan kleeft, ze worden verbrand, een prooi van het vuur.”

Krachtige woorden. Radicale woorden. Dat was ook hard nodig, in Jesaja’s tijd.

Want de mensen gingen gebukt, onder bezetting, onder slavernij. Het was een gewelddadige tijd, zoals de wereldoorlogen hier waren in de vorige eeuw. Gewelddadig zoals vandaag de dag nog in Irak of Afghanistan. De mensen gingen gebukt onder voortdurende angst. Het volk woonde in duisternis.

Maar Jesaja voorspelt de komst van iemand die vrede brengt, recht en gerechtigheid. Eén die de heersen zal. Een wonderbare raadsman, een goddelijke held, een eeuwige vader, een vredevorst.

Dat is een geweldige belofte. Een kind zal geboren worden, een zoon, en die zal weer plaatsnemen op de troon van David. Eindelijk vrede, eindelijk gerechtigheid. Schitterend licht dat in het duister straalt.

En wie zal het doen? Wie is de Gever van dat geschenk? God, de Heer van de hemelse machten.

We hebben in de Adventstijd al telkens gehoord, dat deze verwachting leefde onder het volk van Israël, en hij is blijven leven al de eeuwen door: de hoop op een Redder, een Heiland, een Messias, een Gezalfde. Eén die alle geweldenaars omverwerpt en het gewone volk weer vrijheid geeft, vreugde, recht, vrede.

Mij dunkt, als je met Kerst dan de geboorte van díe Verlosser, van dát Kind, vieren gaat, dan mág dat toch ook een groot feest zijn? Het Kerstfeest, dat is dan toch niet niks?

Ja, zal men zeggen, maar we hebben er zelf zoiets kleins van gemaakt….

En dat moeten we toegeven. Wat hebben we er toch mee gedaan?...

Het Kind geboren, de zoon gegeven. Met die geweldige namen: wonderbare raadsman, goddelijke held, eeuwige vader, vredevorst. Het is een kindje geworden. Een lief klein kindekijn, waarvoor we liefelijke slaapliedjes zingen. Sua sua slaap maar zacht…

En de engelen, krachtige helden, zijn engeltjes geworden voor in de kerstboom. Of blote dikkige kereltjes aan het plafond.

De herders, ruw volk nota bene, zijn herdertjes geworden.

Jozef, die krachtpatser die het aandurfde om tegen heel de publieke opinie in zijn vroegzwangere verloofde trouw te blijven, werd een zielige impotente grijsaard.

De wijzen, geleerde astrologen, werden vreemde snuiters.

En Maria transformeerden we tot een hoge vrouwe met een serene blik, altijd maagd gebleven, ook nog. Heilige Familie, modelgezinnetje, in een stal die in de sneeuw zowaar nog iets romantisch kreeg.

Moet dat kindje onze redder zijn?

Maar het nieuwe testament, het Kerstevangelie uit Lucas, staat minder ver af van Jesaja’s profetie dan wij denken. De kerk heeft dat goed gezien.

Want Lucas 2 is ook groots.

Wat we hier lezen van die grote namen: keizer Augustus en Quirinius. Hoe die met mensen omgaan, is precies de druk die op de mensen rust. Het juk, de drijvers. Ze moeten zich laten inschrijven vanwege een volkstelling. Je laten registreren. Ieder in de plaats waar hij oorspronkelijk vandaan kwam. Bethelehemieten horen in Bethlehem en dat moeten ze goed weten. Zoals er vandaag de dag nog steeds mensen zijn dat alleen echte Assenaren in Assen horen en import terug naar het westen moet. (dan wordt het hier wel stil, denk ik dan altijd). En dat Somaliërs in Somalië horen en Marokkanen in Marokko en Afghaanse moeders in Afghanistan ook al mogen haar man en kinderen blijven. Precies zo ging men toen ook met de mensen om.

En in die waanzinnige hectiek zijn Jozef en Maria op weg. Hoogzwangere Maria, hobbelend op een ezeltje van Nazareth naar Bethlehem. Het juk dat je drukt.

Twee mensen, het lijkt idyllisch, maar ze zijn exemplarisch voor mensen met wie gesold wordt.

Heerlijk trouwens dat Lucas de keizer en mister Q. verder geen woord waardig keurt, en zijn focus richt op deze twee.

Een stal wordt kraamkamer, een voederbak het wiegje. Niet omdat de ouders in een romantische bui zijn, maar er is voor hen geen plaats in de herberg. Het is vol en vol is vol.

Dan de herders, niet ver daarvandaan in Efratha’s velden. Het was een hard bestaan zoals zoveel mensen een hard bestaan hadden en hebben. Dit deel van het volk wandelde letterlijk in donkerheid. Maar ze waken, ze houden de wacht, en oplettende volgers van de adventspreken weten wat gevraagd wordt: wees waakzaam! Wees er klaar voor!

Dan de engel en zijn boodschap, het is groots, helemaal Jesaja 9!

“Opeens staat er een engel en worden ze omgeven door het stralende licht van de Heer”. Het schitterend licht dat straalt over een volk in duisternis.

En wat brengt de engel: goed nieuws dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen. Wéér Jesaja 9. De grote vreugde, als bij het verdelen van de buit.

Het Kerstgeschenk! En wat zit er in? Wat is de inhoud van de boodschap:

“Vandaag is in de stad van David een redder geboren, Hij is de Messias, de Heer.”

Zie je wel, die boodschap van de engel. Precies weer Jesaja 9: de Redder, de Messias, de bevrijder die al eeuwen werd verwacht.

Dan het engelenkoor, een groot hemels leger. Dus geen kleine jongens. Die voegen zich bij de ene engel en prijzen God. “Eer aan God in de hoogste hemel, en vrede op aarde voor alle mensen die Hij liefheeft”

Heel die verwachting van vrede. De Vredevorst. De eeuwige Vader, want hij wordt ook de Heer genoemd. Alles is op Hem van toepassing.

Ook in het Kerstevangelie gaat het dus om die grootse dingen.

Maar hoe zit het dan met het kleine, want dat is er toch ook? Zeker…

“Dit zal voor jullie het teken zijn: jullie zullen een pasgeboren kind vinden dat in een doek gewikkeld in een kribbe ligt”.

Dus het kleine, dat schattige beeld van Jozef, Maria en het kind in de kribbe is het teken van grote dingen. Hij is een Godsgeschenk. Dat lieflijke beeld van Kerst, dat mag hoor, en Maria zal haar kleine ook lekker geknuffeld hebben zoals op het voorblad van de liturgie: jij klein Godsgeschenk. Als je dat ziet, dan moet je altijd bedenken dat het Godsgeschenk wel héél groot is.

Hij is de Bevrijder. Hij zal het juk breken. Hij zal de stampende laarzen verbranden. Hij zal de geweldenaars vertreden. Hij zal armen recht verschaffen. Hij zal vrede brengen.

Let op de herders, wat ze doen als ze gaan kijken. Ze constateren dat het zo is als de engel zei, en ze vertellen wat hun over dat kind is gezegd. De mensen zijn verbaasd over die woorden, maar Maria bewaart ze in haar hart. Ze blijft er over nadenken. En langzamerhand heeft ze beseft wat die woorden betekenden.

Maria is beeld van de kerk. De kerk is ook langzamerhand de eeuwen door gaan beseffen wat het betekent, deze geboorte. En ze is Kerst gaan vieren. Uitbundig, en alle menselijke feestelijkheden tot en met lekker eten toe heeft ze opgenomen in dit feest.

Want Hij is het waard, Jezus de Heer, het Godsgeschenk.

Nog wel een vraag. Brengt het nieuwe testament dan niks nieuws ten opzichte van het oude? Past Jezus’ geboorte dan naadloos op de profetie van Jesaja? Is dan alles vervuld?

Nu, dat zeggen zou niet de hele waarheid zijn. Het is ánders. Er is méér.

 

Het is niet voor niets dat een groot deel van het volk dat deelt in deze verwachting, Israël, Jezus niet als Messias kon herkennen.

Het is niet voor niets dat veel mensen vandaag de dag er moeite mee hebben om Jezus te aanvaarden als ook hun Verlosser. Mensen die zeggen: waar blijft die vrede dan? Is Jezus wel de Messias?

Het nieuwe testament, Lucas ondermeer, wil ons leren hóe God de wereld bevrijden wil. Hij pakt het grondig aan en Hij neemt er de tijd voor.

Ik moet denken aan hoe mijn tandarts aan een van mijn kiezen werkt.

Vroeger ging het van: rotte kies? Ram, eruit. En nog een. En voor je het weet had je zo’n klapper, een compleet kunstgebit. Ouderen onder ons lopen er wel mee. Dat was de tijd.

Veel mensen zouden willen dat God ook zo werkt. Rotte mensen, onkruid, ram eruit. De Augustussen van vandaag, de dictators, de mentaliteit die mensen knecht en tot een nummer maakt in één klap weg. Vrede, hopla. Maar zo werkt het niet, en zo werkt God niet.

God doet het net als mijn tandarts: Hij pakt het bij de wortel aan. En dan eerst weer een noodvulling, en over enige weken terugkomen. En dan langzaam opbouwen. Op het laatst komt er een kroon op denk ik.

Zo doet Jezus ook. Het kwaad bij de wortel aanpakken. Bij de zonde. Goede Vrijdag, Pasen.

Dan langzaam opbouwen. Leven uit de Geest. En telkens terugkomen, in de kerk.

Op het laatst komt de kroon erop. Dan komt Jezus weer. “Kroon Hem met gouden kroon, het Lam op zijnen troon” zingen we dan.

Da’s geen Kerstlied. Dat is een lied van het einde.

Kerst is nog maar het begin. Een klein begin. Van een groots einde.

Dus nooit meer meewarig doen over het Kerstfeest. En ook niet over de Kerk die er maar wat van gemaakt zou hebben.

Het is Gods kerk, en het is Gods Kerst, het is Gods Christus. Christus is een Godsgeschenk. Een groots feest dubbeldwars waard.

Amen.