Preek 11 november 2007

ds. R. Koopmans, , Jozefkerk Assen
Handelingen 27:14-44


Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Ze hadden natuurlijk kunnen luisteren naar Paulus. De schepelingen van het grote schip dat naar Rome voer. Ze hadden kunnen luisteren naar zijn goede raad om niet uit te varen, en te blijven op Kreta. In de wintermaanden was het immers niet pluis op de Middellandse Zee. Voor schepen in die tijd, afhankelijk van de wind, was het levensgevaarlijk om in het stormseizoen op volle zee te zijn. Men deed dat niet. Mare clausum, de zee is gesloten zo heette het. Van oktober, rond de vastentijd, tot aan maart.

Ze hadden kunnen luisteren, maar ja, Paulus was maar een van de gevangenen, en de aanwezige hoofdman stelde meer vertrouwen in de stuurman en de kapitein dan in zo’n vreemde apostel. Dus werd gekozen voor varen. Voorzichtig aan natuurlijk, dan breekt het lijntje niet. Dicht langs de kust van het eiland.

En dan gaat het mis. Een hevige aflandige wind, en ze belanden op volle zee. Het schip meegesleurd, niks mee te beginnen. Meedrijven kunnen ze, anders niet.

Kijk, zo gaat het in het leven.

Je kunt natuurlijk luisteren naar het woord van de Heer. Doe het nou niet. Denk nu aan je grenzen. Daarbuiten is het niet pluis.

Maar wat doet de mens. Al vanaf Adam en Eva luisteren we liever naar andere stemmen in ons hart en om ons heen. Het kan wel. Het kan geen kwaad. Je kunt het wel. Die Paulus, die is ook maar een gevangene, net als jij. Die dominee is ook maar een mens, wat zou die er nu van weten. De kerk, dat is ook maar mensenwerk, de kerk brengt je er ook niet. En de bijbel, ach, dat is een oud boek, zou daar nu de waarheid in staan? En God, God is ver weg. God misgunt je het plezier, het geluk, legt je alleen maar strenge wetten op. Nee, mens je kunt het. Doe maar voorzichtig aan, dan gaat het best. Je hebt je verstand toch…

En dus vaart de mens uit. Hij leeft, dicht langs de kust, voorzichtig aan…

Maar kan dat? Kun je leven, voorzichtig aan? Is dat het leven? Gunt het leven jou dat?

Nu, reken maar van niet. Je komt er niet, met dicht langs de kust.

Er steekt een hevige wind op, vroeg of laat. Je wordt het diepe ingegooid. Een beetje varen kan niet. Een beetje leven kan niet. Als we leven, los van God, als we het willen op eigen kracht, en dat willen we allemaal, dan komen we terecht op volle zee.

En we zitten allemaal in hetzelfde schuitje, en we hebben het niet meer in de hand.

Allemaal in hetzelfde schuitje. De bemanning, de centurio, hoofdman over honderd. Zijn honderd soldaten. De vele gevangenen aan boord, en allerlei andere reizigers die mee gaan. En Paulus, de belangrijkste gevangene. De hoofdman heeft opdracht om Paulus naar Rome te brengen. Op de keizer heeft hij zich beroepen, Paulus, en naar de keizer zal hij gaan. Het is een grote verantwoordelijkheid.

Maar ze zitten op volle zee, midden in de storm, en hebben het niet meer in de hand.

We zitten met elkaar in het schip. Boeren, burgers en buitenlui, hoog en laag, werkgever en werknemer, rijk en arm, jong en oud, gelovig en ongelovig, christen en moslim, protestants en rooms, hervormd en gereformeerd, rechtzinnig en vrijzinnig, luthers en baptist, koning, keizer, admiraal, ploeteren moeten we allemaal.

En wat doe je dan. Je probeert met man en macht je veilig te stellen nietwaar?

Die sloep, die er zo lastig achteraan zwiebert, en maar tegen de romp aanbeukt door de golven, die hijsen we omhoog. Het schip omgorden we met touwen. Het drijfanker werpen we uit en we laten ons schip drijven. We gooien een deel van de lading overboord en zelfs de scheepsuitrusting. Met man en macht stellen we ons zelf en elkaar veilig.

We verzekeren ons dat het een lieve lust is. We ontwerpen een grondwet die ons verzekert van alle geluk. We maken wetten. We schaffen ook wetten weer af. We bewapenen ons. Letterlijk of figuurlijk. We proberen ons te ontdoen van wat ons dwars zit. Ballast gaat overboord. In paniek gooien we zelfs kinderen met het badwater weg.

U moet eens opletten wat mensen doen die in paniek zijn, die ontdekken dat het hun uit de hand loopt. In het persoonlijk leven, maar ook in de samenleving. Bij plotselinge ziekte, bij plotselinge schaarste, paniek op de beursvloer.

Nee, de mens is niet zo zeker van zijn zaak. Je kunt het wel, zeiden de stemmen in ons hart en om ons heen. Maar wat kunnen we, wie zijn we in de machten van de chaos, in de oerkrachten van een storm op volle zee.

Je hebt je verstand toch, je houdt toch wel koers? Maar hoe oriënteer je je, als zon en maan en sterren niet meer te zien zijn. Als alle waarden en normen verloren zijn gegaan. Ruwe stormen mogen woeden, alles om mij heen zij nacht.

Dan wórdt het nacht. Ze verliezen ten slotte alle hoop op redding, daar in dat schip. En ze vergeten helemaal te eten. Dat is wel vaker zo, juist als je het ’t hardste nodig hebt, dan vergeet je te eten. Ook geestelijk voedsel wil dan nog wel eens vergeten worden. De bijbel blijft dicht, de kerkgang versloft, want o we hebben het zo druk met het redden van ons zelf. Met werken, met sloven, met ploeteren, met sporten, met leren, met uitgaan. Allemaal nodig om ons zelf te redden. Je moet toch wat in deze woeste wereld?

Maar ondertussen: de hoop hebben we verloren. Op redding.

Maar dan staat Paulus op. Er moet íemand opstaan. Geen sterke man, waarom mensen dan soms roepen. Sterke mannen zijn niet zo sterk als het er op aan komt.

Paulus staat op, de gezondene van de Heer. En hij spreekt de opvarenden toe.

Eerst een vermaning. “Had maar naar mij geluisterd, dan waren we op Kreta gebleven, dan waren ons deze moeilijkheden bespaard gebleven en was er niets verloren gegaan”.

Dat vinden we niet zo leuk van Paulus. Hé bah, moet je ons daar nu op wijzen?

Mensen in nood vinden het niet zo leuk dat ze op hun zonden worden gewezen. Door de kerk. Daar moet de kerk haar mond over houden tegenwoordig. We zitten in nood, bespaar ons je preken en help ons nu maar.

Maar Paulus houdt zijn mond niet. Hij zegt het, heel ronduit, niet vervelend, niet fijntjes in de zin van gemeen, niet om zijn gelijk te halen, maar gewoon. Zo is het. Het is fout geweest om niet te luisteren. En dat geldt ook voor ons. We hebben het aan ons zelf te wijten, dat we in het schip zitten, in de storm. Dat we in nood zijn. Als wij naar God geluisterd hadden, dan was het niet zo ver gekomen.

Zo is het leven, maar zo is het wel, en dat moet gezegd worden.

Dan gaat Paulus gauw over naar de bemoediging.

Houd moed, want niemand van jullie zal omkomen! Dat is ook de boodschap van de kerk: evangelie, goede boodschap. Houd moed, wees niet bevreesd, niemand zal omkomen. God wil niet dat iemand van ons verloren gaat, maar dat wij allemaal gered worden. Dat is al eeuwen onze boodschap. God is liefde. Jezus redt. De Geest is krachtig. Het Woord geeft leven. De Heer is je Herder. En de Kerk is een moeder, bij wie je schuilen mag. Houd moed.

Op grond waarvan kan de kerk dat zeggen? Wat is onze legitimatie. Waar hebben we dat vandaan? Wat in de wereld wijst er nu op dat de prediking van de kerk waar is? Dat wat wij verkondigen niet grote onzin is. Niemand verloren gaan? In déze storm?

Nu, ons is iets geschonken. Iets toevertrouwd. Een boodschap. Een aloud evangelie. Het is ons aangezegd. Net zoals het Paulus is aangezegd.

In de nacht is hij bezocht door een engel van God die zei:

“Wees niet bang Paulus, je moet voor de keizer verschijnen, en daarom heeft God je in zijn goedheid het leven van alle opvarenden geschonken”.

God heeft een bedoeling. God heeft een bestemming met Paulus leven. En niemand rukt hem uit Zijn hand. Er is niets dat Gods plan met ons kan verijdelen. Omdat God wil dat het evangelie klinken zal in het hart van de wereld, voor de keizer in Rome, moet Paulus heelhuids in Rome komen. En omdat God wil dat Paulus heelhuids in Rome komt zal hij alle opvarenden redden. In zijn goedheid.

Om die ene worden ze allen gered.

En wij. Wij hebben Jezus in ons levensschip. En is ons niet in de nacht het woord tegemoet gekomen, dat God ons allemaal omwille van die Ene zal redden.

Omwille van die Ene Jezus, en omwille van zijn goedheid, wil God ons allemaal behouden.

Dat is iets wat ons is aangezegd. Dat lees je niet af aan het wereldgebeuren, niet aan zon of maan of sterren. Dat is ook niet iets wat je zelf bereiken kunt. Dat wordt je verkondigd vanaf de overkant, door een gezondene van de Heer, dat wordt je aangezegd en aangereikt, en dat kun je alleen maar ontvangen.

Paulus heeft gesproken. Maar ja, ze zijn nog steeds op drift.

Dan naderen ze land. En dan gebeurt het. De bemanning wil het zinkende schip verlaten, via de sloepen. Paulus waarschuwt de hoofdman:

“Als zij niet aan boord blijven, kunnen jullie niet worden gered!”

Er zijn altijd mensen die het zinkende schip verlaten willen. In de wereld en in de kerk. Die kiezen voor zichzelf, die zichzelf in veiligheid willen brengen.

De wereld mag vergaan, maar ik hamster mijn koelkast boordevol. Ik heb mijn schaapjes op het droge. Deze kerk wordt niks meer, het is een dooie boel, het is allemaal grijze hoofden, het is een zinkend schip. Ik kies voor een kerk met toekomst, met allemaal jeugd, met allemaal leven.

Als zij niet aan boord blijven, kunnen jullie niet worden gered. Gemeente, we moeten één blijven. Het is samen uit, samen thuis. We zijn kerk met elkaar, met jong en oud en met jan rap en zijn maat. We horen er allemaal bij en we houden elkaar vast en we gaan er niet vandoor! Niet om uit een te vallen in allemaal kleine scheepjes. Als ieder zijn zin wil hebben zijn er toch geen sloepen genoeg. Als we samen blijven, dan worden we samen gered.

Maar je moet wel eten. Het voedsel tot je nemen. Paulus zegt het nog maar eens: al veertien dagen eten jullie niks, en iets eten zal bijdragen aan jullie redding.

“Hij nam een stuk brood, dankte God in aanwezigheid van allen, brak het brood en begon te eten. Dat gaf de anderen moed zodat ook zij gingen eten”.

Avondmaal op volle zee. Maaltijd des Heren midden in de storm. Ziet u het voor zich.

De gebaren van een joodse huisvader, aan de tafel midden in zijn gezin.

De gebaren van Jezus temidden van de vijfduizend op de heuvels langs de zee.

De gebaren van Jezus, aan het laatste avondmaal, midden tussen zijn leerlingen.

De gebaren van de kerk, de eeuwen door, brekend het brood en schenkend de wijn, tot een volkomen verzoening van al onze zonden.

Het breken en delen van lief en leed, van heel je leven in nauwe verbondenheid met de Heer en met elkaar, trouw aan Hem en trouw aan de naaste. Dat is wat hier gebeurt, en die genade is ons genoeg. De rest van het graan kan wel overboord.

Als wij zo doen in de kerk, is dat een teken. Als wij zo staan in de wereld, dan geeft dat moed. Geen paniek. Gewoon, als ieder ander kiest voor zichzelf: bijeen blijven. Gewoon als iedereen pakt wat hij krijgen kan, in alle rust brood nemen, breken en delen. Het leven delen met elkaar en er van uitdelen naar ieder ander. Dat is een licht op de kandelaar, een stad op een berg.

Als wij in de kerk zó leven, dan is het goed. Dan worden we gered.

Als dát uitstraalt in de wereld, dan zal ieder zien dat dáár redding is. Waar mensen samen blijven en samen delen. Elkaar vasthouden onder de hoede van God.

En natuurlijk moet er dan ook wat gebeuren. De pogingen om het schip aan de grond te zetten zijn niet voor niets. De bemanning moest niet voor niets aan boord blijven. Zij kennen hun schip, zij weten van wanten. De ankers los, het voorzeil gehesen, aanhouden op het strand. Wij hebben Vader’s zoon aan boord en veilig strand voor oog. Wie zal ons veilig leiden, naar de overkant. Wie wil er mee naar het engelenland varen.

Poef. Een zandbank. Ja ja, je bent er zo maar niet. Ook niet in de kerk. Ook niet in een christelijk Nederland. De zaak zit muurvast, in het zicht van de haven.

Allerlei oplossingen doemen op.

De soldaten willen de gevangenen doden. Want ja, die slaan straks allemaal op de vlucht. Zwemmen naar de wal. De gevangenen doden? Dan gaat ook Paulus er aan. De hoofdman weet het te voorkomen, verantwoordelijk als hij is om de apostel voor de keizer te brengen.

In het zicht van de haven zijn er altijd die zich willen verlossen van de ander.

Die gevangenen, zullen die niet hun eigen weg kiezen. Doden die handel!

In ons land zijn er die zich willen ontdoen van. Ze zijn voor de doodstraf. Of voor zéér zware gevangenisstraffen. Of voor het uitzetten van alles wat buitenlands is. Of voor het uitsluiten van wie anders is, anders gelovig, anders geaard. Zullen we ons maar niet van die ontdoen. Anders komen die er nog op hun eigen manier….

Maar met het je afmaken van de ander maak je je af van God. God wil dat iederéén gered wordt.

En dan de ene maar zwemmend en de ander maar op wrakhout.

De ene rooms en de ander protestant, de ene christen en de ander moslim, de ene hervormd en de ander gereformeerd, de ene homo en de ander hetero, de ene zus en de andere zo. God vraagt van ons allemaal hetzelfde, maar hij geeft wel ieder van ons een eigen kans om die weg te gaan.

De laatste weg, naar de overkant, moet je alleen gaan. De weg naar God. De weg met God. En de ene zwemt en de ander drijft. Dat moet je elkaar gunnen. Die weg die de ander met God gaat is soms anders dan de jouwe. Zwemmend of op planken of stukken wrakhout, ze kwamen allen behouden aan wal.

God heeft ons geen kalme reis beloofd, maar wel een behouden aankomst.

Laat je vermanen, laat je bemoedigen, laat je voeden, laat je redden. Doe het samen, met God en samen met elkaar. Samen in U één. Ieder zijn eigen weg, zijn eigen leven, zijn eigen levenskeuzes. Maar als het samen is en als het met God is, kom je behouden aan. Zeker weten.

Amen