Preek 30 september 2007

ds. R. Koopmans, , Jozefkerk Assen
Amos 6:1-7
Lucas 16:19-31


Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Anderhalve week geleden was het weer Prinsjesdag. Een in goudbrokaat gehulde koningin mocht de plannen van de regering voorlezen. Dat is altijd een feest. En het volk kon daarna natuurlijk reageren. Voor journalisten is dat een zo mogelijk nog groter feest. Wat is er weer geklaagd over een paar procenten koopkracht…! En de klacht van de rijken klinkt het felste. De maatregelen ten behoeve van de armsten in ons land zouden de rijkeren wel eens wat kunnen gaan kosten. Is het geen schande!

Hoe groot de schande is, en wat de schade is, horen we straks in de preek. Maar ook hoe een mens wel te leven heeft.

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

De kloof tussen rijken en armen is in onze tijd bijna onoverbrugbaar groot. We hadden het in de inleiding al even over de troonrede en de reacties van de mensen. Men begrijpt en men bereikt elkaar niet meer. Dat merk je aan alles.

Ook in de tijd van Amos is de tweedeling schrijnend. De profeet is maar een eenvoudige boer uit het judese Tekoa, en spreekt klare taal, ongepolijst Hebreeuws van het platteland, recht voor zijn raap.

Hij heeft van God de opdracht te spreken tot de leiders van het volk, de upper ten vooral van Samaria, de hoofdstad van het noordrijk Israël.

Deze mensen beschouwen zich als de elite, de culturele voorhoede van Israël. Het uitverkoren volk, daarvan zijn zij de uitverkoren leiders. Ze scheppen erover op. Kijk eens naar Kalne, naar Groot-Hamat, naar Gat, die andere grote steden in de omtrek. Doen we voor hen onder? Integendeel. Ze voelen zich wat, de grachtengordel van Samaria. En de mensen van het gewone volk, zij volgen hun leventje ook nog gretig en nieuwsgierig, zoals dat altijd gaat. Als ze raad en hulp nodig hebben, moeten ze daar terecht. Ze beschouwen hun elite ook nog een beetje als nationale trots. Kom niet aan onze helden…!

Maar Amos komt er wel aan. God gaat er aan komen.

“Jullie liggen maar op je ivoren bedden, hangen rond op je divans, eten je buik rond met lammeren uit de kudde en kalveren uit de stal!” Elke dag feest, elke dag vijfsterrenhotel. Jullie zingen bij de harp als zijn jullie David zelf, jullie zuipen wijn uit grote schalen. Maar ondertussen gaat Jozefs volk ten onder, en jullie lijden er helemaal niet onder.

Amos’ verwijten, Gods verwijten zijn vlijmscherp. De decadentie in de paleizen is grenzeloos. De armoede daarbuiten is nog grenzenlozer.

Zorgeloze rijkdom. Die nooit voorbij gaat.

Is het anders vandaag de dag? In ons land, hebben velen het goed. Steeds meer mensen hebben het héél goed en spreiden hun rijkdom onbeschaamd ten toon. Het gewone volk smult er ook nog van. Zoveel anderen zitten op het minimum of er onder. Mensen uit het buitenland die hier hun geluk komen beproeven worden onherroepelijk weer weggestuurd de uitzichtloze armoe weer in. En daar het volk smult ook van want politici die zulke hardheid propageren zijn ongemeen populair.

Ook in de hele wereld is het vandaag de dag niet anders. Want trekt ons rijke noorden en westen zich werkelijk iets aan van de ellende in het zuiden en oosten?

Amos roept de rijken toe: “jullie denken dat de onheilsdag nog ver is. Jullie brengen zelf de heerschappij van het geweld dichterbij”. De onheilsdag, dat is de dag van de Heer. Die alles om zal keren. “Daarom gaan jullie nu als eersten in ballingschap; het gefeest en geluier is voorbij.

Voorbij gaat het. Leven veel mensen niet met het idee dat dit leven nooit voorbij gaat? Dat onze welvaart vanzelfsprekend is? Dat we er bovendien recht op hebben want wij zijn hier toch geboren? We houden ons de dreiging van omkeer van ons lijf door grenzen dicht te gooien, door ons ongelooflijk te bewapenen want de armen der wereld zouden hun recht eens komen halen.

Rekenen we nog met een Ander, met God, die er niet blij mee is dat de arme zo wordt genegeerd? houden we nog rekening met de dag des oordeels, de laatste dag, die van de Heer?

 

Ach ik weet het. Dit is de zoveelste preek over onrecht en gerechtigheid. Dat is al zoveel gebeurd. In de jaren zestig en zeventig konden ze er ook wat van, de dominees, de kerken. De politieke preken rolden van de kansel. Maar het leverde alleen maar ergernis op. Misschien ook wel terecht. Maar ze waren wel profetisch, die preken, want er is niets veranderd. Het is alleen maar erger geworden. Amos sprak voor dovemansoren.

Israëls profeten werden in hun tijd niet geloofd. Ze werden verjaagd of gedood.

Israëls profeten worden nog steeds niet geloofd.

En Jezus weet dat. Jezus leeft veel eeuwen later dan Amos. Hij ziet dezelfde rijkdom van de elite van Samaria terug bij de Farizeeën in Jeruzalem. Jazeker, bij die fienen, bij die vrome lieden, die roomser dan de paus en vromer dan gemalen huppeldepup zich vermaken bij de uitgebreidste maaltijden. En die neerzien op het volk van het land dat de wet niet kent. De wet niet kent? De armen hebben helemaal geen tijd voor de wet, geen tijd en geen geld.

Jezus weet dat preken niet helpt. Preken schept afstand, preken geeft ergernis. Je moet niet preken, je moet vertellen. Een verhaal. Dan komt het dichtbij. Dan krijgt het een naam, dan krijgt de arme een gezicht. Een soort Hart van Nederland is het, deze gelijkenis.

Een rijke man, bij ons in de stad. Die gewoon is zich in prachtige kleren te hullen. Niet alleen op feesten, elke dag. Elke dag feest, uitbundig, zijn koopkracht is overdadig.

En een bedelaar, bij hem aan de poort. Ook overdekt, niet met kleren maar met zweren. Hij eet niet, hij hoopt op eten. Hij hoopt zijn maag te vullen met wat er overschiet. Maar er schiet niks over blijkbaar, niet anders dan de onreine honden die zijn zweren likken.

Een klein tafereel, maar tekenend voor de situatie. Toen en nu.

Wat opvalt is, dat alleen de bedelaar een naam heeft, de rijke niet. De bedelaar heet Lazarus. “El’azar”, God helpt. God wel….

Want het einde komt. Het is voorbij! En dat is de spits van deze gelijkenis en van de preek vandaag. Er komt een einde aan dit verhaal van ons leven.

Het gaat niet eindeloos zo door. Dat luie leventje van kleren en eten en feesten van de rijken. Dat houdt een keer op. De rijke sterft en wordt begraven. Het staat er zakelijk, en ook een beetje eenzaam. Hoewel het op zijn begrafenis wel storm gelopen zal hebben, met rijen mensen in de straten.

Maar er is nog iets dat niet eindeloos zo door gaat. En dat is de ellende van de arme. Op zekere dag sterft de bedelaar en wordt door de engelen weggedragen om aan Abrahams hart te rusten. Het staat er niet zo zakelijk. Hoewel hij zomaar gevonden zal zijn op straat. Een begrafenis der armen, met niemand er bij. Sterven is voor hem een verlossing. Zijn ziel wordt door de engelen gedragen tot aan Abrahams hart. Abrahams schoot, zegt de oude vertaling. Hoe dan ook, het klinkt dichtbij, het klinkt warm.

Gemeente, lieve mensen, dit leventje van ons houdt ooit op. En wat er dán gebeurt met jouw ziel, daarvoor is jouw leven van nú bepalend. Onherroepelijk.

Bepalend is, of jij hebt omgezien naar de arme aan de poort. Of wij ons iets aangetrokken hebben van die mensen die níet het geluk hebben gehad geboren te worden in een comfortabele wieg, maar in een armzalige hut of dat nog niet eens. Ik spreek van geluk, want een verdienste is het niet. Bepalend is of wij de armen der wereld hebben laten delen in onze rijkdom. Óf dat we ze hebben genegeerd, weggejaagd, teruggestuurd, uitgezet, als waren het profiteurs. Profiteren wij niet allemaal van wat de Heer ons schenkt?

Het leventje houdt op. Op zekere dag. En dan?

Amos riep: jullie zullen het eerst worden weggevoerd in ballingschap!

Wat is óns lot?

De rijke vindt zichzelf terug in het dodenrijk. Naar het joodse geloof van Jezus’ dagen wachten daar de zielen van de gestorvenen, tot de dag van opstanding en oordeel.

Hevige kwelling. Vlammen, zegt het verhaal. En dorst. Dat is de ergste pijn.

De rijke ziet ook Lazarus in de verte, aan Abraham’s zijde.

Nu zíet hij Lazarus! In zijn aardse leven zag hij hem nooit. Nou ja, hij zag ‘m wel aan de poort, maar hij zag ‘m niet natuurlijk. Nu wel. Maar hij spreekt hem nog steeds niet aan. Hij spreekt Abraham aan. Om Lazarus te sturen. Stuur Lazarus naar me toe. Stuur Lazarus naar het huis van mijn vader. De arme als loopknecht.

De rijke meent nog steeds rechten te kunnen laten gelden. Hij is niet anders gewend dan dat ze voor hem vliegen. “Vader Abraham!” roept hij tot twee keer toe. Tsja, hij is toch een kind van Abraham, van het uitverkoren volk. Vadertje moet toch luisteren. Maar zo werkt het niet.

Er is een kloof.

Zoals er op aarde een kloof was tussen arm en rijk, zo is er in het hiernamaals een kloof tussen gerechtvaardigde en zondaar. Maar de rollen zijn wel omgedraaid. God doet de armen recht, maar de mensen die onbeweeglijk, onbewogen zijn gebleven, komen in het vuur. Er is een kloof, en die wordt bepaald door het leven dat je leidde.

“Kind”, zegt Abraham, (want de rijke blijft Abrahams kind), “bedenk wel dat jij je deel van het goede al tijdens je leven hebt ontvangen, terwijl Lazarus niets dan ongeluk heeft gekend: nu vindt hij hier troost, maar lijd jij pijn.” Het is een wijde kloof daartussen, mensen kunnen niet oversteken.

Dan niet meer!

Gemeente, lieve mensen. Dat geeft te denken.

Niet zozeer over het hoe en wat van het hiernamaals, hoe het daar allemaal precies zal zijn. Daar valt ook genoeg over te denken, maar daarvoor vertelt Jezus deze gelijkenis niet.

Jezus vertelt dit verhaal om ons helder te maken: dán is er geen houden meer aan. Als jij op zekere dag sterft is het leven geleefd. En wat daarna voor eeuwig je lot is, is afhankelijk van je leven er voor. En daarbij spelen heel veel dingen een rol. Natuurlijk de vraag of jij je hart aan Jezus gegeven hebt. Maar óók, en daar blijkt het uit: of jij je hart aan je naaste gegeven hebt! Hoe jij omgegaan bent met wat jou is toevertrouwd, je rijkdom, en wat je gedaan hebt aan de armoede van de ander. Het komt aan op het nú, want straks is het voorbij. Dan is er geen oversteek meer. Bekeer je nu.

Dat is niet bedoeld als dreiging. Abraham spreekt vriendelijk tot de rijke. Maar wel heel beslist.

De rijke in het verhaal, want het is natuurlijk een verhaal, die gelijkenis, krijgt het eindelijk door: het is voor hem zelf te laat. Maar niet voor zijn vijf broers. Die moeten gewaarschuwd worden. “Vader Abraham, stuur Lazarus om te waarschuwen!”

Het antwoord luidt: “ze hebben Mozes en de profeten, laten ze naar hen luisteren”.

En zo is het. In wet en profeten hebben we genoeg. Daar staat alles in. Over het leven. Over de juiste keuze. Over hoe met je rijkdom om te gaan, en met de arme. Helder en klaar.

Maar ja, we zeiden het al. Naar profeten wordt niet geluisterd. Naar dominees ook niet. Dominees luisteren ook niet altijd goed naar hun eigen preken, trouwens.

Nee, maar als iemand uit de doden naar hen toekomt, dán zullen ze tot inkeer komen…

De joden verlangen tekenen. En zijn wij anders? Kwam er maar eens iemand uit de doden terug. Om het ons te vertellen. Dán zouden we wel geloven, dan zouden we wel luisteren. Zou dat zo zijn?

Abraham weet beter. Jezus weet beter. Wij weten toch ook beter. Jezus ís uit de doden opgestaan. Maar helpt het echt. Bekeren we ons ook?

Dat is een uitdaging. Jezus wijst ons terug naar Mozes en de profeten.

Hoe kan een rijke dan behouden worden? Een vraag die in de evangeliën vaak wordt gesteld. Makkelijker gaat een kameel door het oog van een naald dan een rijke binnengaat in het Koninkrijk der hemelen.

Je zou er triest van worden. Maar dat moeten we niet doen.

Vandaag ís er een kloof. Tussen de rijken onder ons en de armen onder ons. Maar die kloof is nog wel te overbruggen. Dat kan als op wereldschaal de schulden der arme landen worden kwijtgescholden, en dan nu eens echt; als in onze samenleving de armen der wereld niet worden weggestuurd als profiteurs, maar worden uitgenodigd om mee te delen in wat ook ons geschonken is per slot van rekening. De redenering “maar wij hebben er toch zelf altijd hard voor gewerkt” past immers niet meer, de meeste mensen die nu werken zijn zelf immers geboren in een gespreid bedje. En de armen werken net zo hard.

Maar het kan vooral als u en jij en ik persoonlijk, in ons eigen leven, ons een andere mentaliteit aanmeten. Niet mekkeren over onze koopkracht als we toch al lang boven jan zijn. Maar de armen zien aan onze poort, de ellendige en wie geen helper heeft. Weet, dat God dat ziet. Wat je doet, wat je voor een ander over hebt.

En dan mag je gerust feest vieren op zijn tijd. En dan mag je je ook bent mooi kleden. Dan mogen we ook muziek maken, als David op de harp, of op het orgel, met trompet, psalmen, gezangen en geestelijke liederen zingen. Muziek tot eer van God, die komt het best tot zijn recht als ons gewone dagelijkse leven daarmee niet vloekt maar daarmee overeenstemt.

Rijkdom is niet verkeerd. Wij kunnen het ook niet helpen in het rijke Nederland geboren te zijn. Maar het is hoe we er mee omgaan, beter gezegd: hoe we er van delen. Onbaatzuchtig, onbekommerd uitdelen aan hen die niets hebben.

Dan hoef je ook niet bang te zijn voor het oordeel. Dat heeft Jezus ons ook geleerd. Als wet en profeten werkelijk een rol spelen in onze levenskeuzen, dan wordt ons het falen ook vergeven. Aan Abrahams hart is heel veel plaats.

En daar is ook muziek, zo we weten. Er wordt wat gezongen daarboven. Met stem en instrument. Al ons zingen is altijd samen met de engelen in de hemel. als je dat beseft, dan klinken onze zangen oprechter en warmer naar omhoog.

“Alles wat u prijzen kan, u de eeuw’ge Ongeziene, looft uw liefde en zingt ervan. Alle eng’len die u dienen roepen U nooit lovensmoe “heilig, heilig, heilig” toe.

Amen.