ds. R. Koopmans,
, Jozefkerk Assen
Genesis 3
Romeinen 8:18-25
Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Sinds Adam en Eva van de appel gegeten hebben, zitten wij met de gebakken peren.
Dat is een uitspraak die ik niet zelf verzonnen heb. Dominees verzinnen zelf bijna nooit iets maar plegen plagiaat bij het leven. En het leuke is: dat mag in domineesland. Bronvermelding hoeft er niet bij in de preek. De enige bron is immers de Heilige Schrift, en Gods auteursrechten zijn allang vrijgegeven. Dat is de vrijheid van de Geest.
Je preekt maar, vrijmoedig en ongebonden. Alles ten dienste van de verbreiding van het Evangelie. Evangelie, goede boodschap, blijde boodschap.
Maar waar vinden we goede blijde boodschap in Genesis 3?
Sinds Adam en Eva zitten we er maar mee. Hadden ze nu maar niet van die vrucht gegeten. Die verboden vrucht, waarvan nergens staat dat het een appel was, overigens.
Volgens sommige Bijbeluitleggers mag je dit niet meer zo zeggen: “Hadden Adam en Eva maar niet…” Zij zeggen: dan schuif je het áf. Het gaat niet om die twee mensen toen, het gaat om ons, nú. Telkens is er voor ons de beslissing: eet ik, of eet ik niet?
Daar zit wel wat in. We noemen de eerste elf hoofdstukken van de Bijbel wel: “oergeschiedenis”. Daarmee bedoelen we niet alleen dat het de oudste geschiedenis is, maar ook dat het om dingen gaat die in zekere zin telkens weer gebeuren. Wat Adam en Eva overkomt, is wat ons overkomt, steeds maar weer. Het is kenmerkend voor een mensenleven.
En toch is het anders. Wij verkeren niet in dezelfde omstandigheden als het eerste mensenpaar toen. Er is sinds de zondeval wel degelijk wat veranderd.
Zij leefden in het paradijs. Dat was geen Luilekkerland, zo zagen we twee weken geleden: er moest gewerkt worden, bewerkt en bewaakt. Maar het was nog goed. De aarde bracht vruchten voort. De tuin was goed om in te leven. De levensboom was nog binnen bereik. Het kwaad was nog onder controle. Gods controle. En de slang: Adam, die de tuin moest bewaken, had moeten roepen: wég jij!!!
De slang was het slimst. Buitenbijbelse bronnen vertellen van een engel, Lucifer geheten. Hij werd met zijn medestanders uit de hemel gestoten vanwege een opstand tegen God. De engel werd duivel. In de slang doet hij zijn werk.
En zijn werk is verleiden. De mens verleiden om zijn grenzen te overschrijden. Weet u nog wel uit de vorige preek: er was een grens aan het leven, ook in het paradijs.
Leefbaar leven heeft zijn grenzen. Kennis van goed en kwaad komt God toe, niet aan mensen. Wij moeten afblijven van die boom. Het leven is immers rijk genoeg, mens zijn in de tuin. Wees tevreden met je lot.
Maar dan is er die stem. De stem die verleidt.
“Is het waar dat God gezegd heeft dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten?”
Met die vraag begint de slang een steen los te wrikken in ons gemoed. Is het waar…?
Het is niet dat de duivel niet in God gelooft. Maar hij zegt verkeerde dingen over God. Hij spiegelt God voor als een gemene begrenzer, als iemand die er genoegen in heeft ons te plagen. “Je mag zeker niks van God.”
Is dat ook niet het beeld dat mensen van buiten de kerk van de kerkmensen hebben, van de gelovigen? Een kerkmens mag niks. Een kerkmens heeft een uitgestreken gezicht dat nooit lachen mag. Je mag geen plezier maken, nergens van genieten. Is dat waar? Er zijn kerkmensen die ook zo’n beeld van zichzélf hebben, en ze stralen dat uit ook!
We moeten maar eens goed denken om onze uitstraling. Want als onze uitstraling zó is, alsof we van God niks mogen, dan geven we gehoor aan de slang, aan de duivel.
Het is níét waar. Je mag een heleboel van God. God is geen boeman. De vrouw weet dat, en geeft de slang van repliek: “We mogen alles eten. Alleen niet van die boom middenin de tuin, dan zullen we sterven.”
Maar de slang is nog niet uitgepraat. Hij zegt niet alleen verkeerde dingen over God, maar ook verkeerde dingen over de mens. Hij zegt:
“Je zult niet sterven. Jullie zullen de ogen opengaan, en je zult als goden zijn, met kennis van goed en kwaad!”
Jullie zullen als goden zijn. Tsjonge, dat liegt er niet om. Is dat niet wat je als mens ten diepste wilt: jouw grens overschrijden. Omhoog streven. Reiken boven jezelf uit? Het is heerlijk om mens te zijn, maar het is toch waratje ook wel jammer dat ik geen god ben….
Nu ja, u weet het vervolg. De vrouw eet. De man eet. En de ogen gaan inderdaad open….
Wat zie je, als je de ogen opengaan? Wat zie je, als je met open ogen leeft?
Sommigen zeggen: dan zie je in, dat je als mensen eigenlijk goden bent. Dat je als mens álles kunt. Als je maar leeft als vrij mens, en zelf beslissingen neemt over wat goed is en wat kwaad. Dan leef je als het ware als “god in Frankrijk”. Het is een ook vandaag de dag populaire levenshouding. Mens, geniet, je bent de god van je eigen leven!
Maar het is de stem van de slang. Het is niet wáár.
Wat zie je écht, als jou de ogen opengaan?
Dan zie je in dat je naakt bent. Dan zie je dat je ten diepste een klein bang bloot mensje bent. Bang voor jezelf, bang voor elkaar, bang voor God.
Je verstopt je voor jezelf, durft nooit in de spiegel te kijken.
Je verbergt je voor elkaar, achter façades en maskers, en durft elkaar geen spiegel voor te houden.
En je verbergt je voor God. Je vindt het moeilijk om te bidden, om je hart open te stellen. Het is een en al schuld en wroeging en schaamte.
Mensen die wérkelijk met open ogen leven, die zien dat in. We zijn geen goden. We zijn zwakke zondige sterfelijke mensen. En de aarde ís geen paradijs. Wij leven buiten het paradijs. Het is onbereikbaar. Er staat een engelenwacht voor, met een heen en weer zwaaiend zwaard.
Dat lijkt een somber scenario. Is er nog hoop voor ons?
God zoekt de mens op. Hij wandelt door de tuin in de avondkoelte, want het is zijn tuin. Hij zoekt ons op, want het is zijn schepping, we zijn zijn schepselen.
En Hij roept ons tevoorschijn, ter verantwoording. Híj houdt ons de spiegel voor! “Waar ben je? Wat heb je gedaan? Je bent naakt, wie heeft je dat verteld? Je hebt gegeten, waarom heb je dat gedaan?”
Ja, daar sta je dan met je kwade gedrag. Je stamelt. Je verschuilt je achter de ander. Je schuift af. “Ja, maar zij. Ja, maar hij… Ja, maar de slang...”
Zo is het gegaan. En zo gaat het altijd weer. Er is altijd wel een oorzaak, altijd wel een excuus, een ander die het te verwijten valt. Maar de kern is: ongehoorzaam. Je grens overschreden.
En sindsdien is het leven veranderd.
Voor de slang: hij is de eeuwige vijand van de mens. Voor de vrouw: haar zwangerschap zal een zware last zijn, en haar man zal over haar heersen.
Voor de man: de akker zal vervloekt zijn en distels voortbrengen, en zijn werken wordt zwoegen.
De mensen moeten wég uit het paradijs. De levensboom, gever van eeuwig leven, is onbereikbaar voor ons!
We zitten met de gebakken peren.
Wat is nu de hoop?
Er zijn sporen van hoop in dit leven te vinden.
Dat God de mens opzoekt, en ons ter verantwoording roept, ons de spiegel voorhoudt. Dat doet pijn, maar het is genade.
Verder maakt God kleren voor de mens. Hij zorgt voor bedekking, waar wij in dit leven elkaars naaktheid niet constant onder ogen kunnen zien.
En God zorgt voor een belofte. Adam kan zijn vrouw “Eva” noemen, moeder van alle levenden. En ooit zal uit haar nageslacht één voortkomen die de slang de kop vermorzelen zal.
Hij is onze hoop. Die Ene. Onze hoop heet Jezus Christus, God redt.
De apostel Paulus laat in de Romeinenbrief kleurrijk zien hoe het er voorstaat in deze wereld. Heel realistisch. “De schepping is ten prooi aan zinloosheid. Niet uit eigen wil maar door Hem die haar daar aan onderworpen heeft. Maar…we leven in hoop”.
Wij leven in de hoop op de verlossing.
“Het lijden van de tegenwoordige tijd weegt niet op tegen de heerlijkheid die over ons geopenbaard zal worden.” Het lijden is groot, maar de heerlijkheid is groter.
Paulus schetst het lijden van de tijd als “barensweeën”. Het is een indrukwekkend beeld. De schepping is in verwachting. De schepping zucht en kreunt als in barensnood. En alles kunnen we daarbij invullen. Het natuurgeweld, de overstromingen en de grote hitte, aardbevingen en hongersnoden, oorlog en geweld, ziekten en zorgen. Want ook wijzelf, wij zuchten mee. Wij puffen mee.
Wijzelf, wie zijn de “wijzelf” in Paulus’ brief. Dat zijn Paulus en de christelijke gemeente te Rome. En met die gemeente alle gelovigen in Christus. Wijzelf, dat is de kerk, de gemeente van Christus.
Onze hoop is op Hem: Christus is onze enige hoop. Hem verwachten wij. Hij is de verlosser, Hij zal komen. Hij zal ons verlossen van ons sterfelijk bestaan. Hij zal de poort van het paradijs weer openen. Een kerstgezang zingt: “en Hij ontsluit ons weer de poort van ’t schone paradijs, de cherubs staat er niet meer voor. Lof zij God eer en prijs.” En zo wordt de levensboom, met de vrucht van het eeuwige leven, weer bereikbaar.
Christus ís gekomen. Kerst. Christus heeft ons tot kinderen van God gemaakt. Door Hem mogen wij, mét Hem mogen wij, God “onze Vader” noemen.
Alleen, dat wij kinderen van God zijn, dat is nog niet geopenbaard. Dat is nog niet openlijk zichtbaar. Dat zit nog van binnen. Wij zelf zien het er nog niet aan af, en de mensen om ons heen zien dat ook nog niet aan ons af. De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat het openbaar wordt dat wij kinderen van God zijn. We kunnen er haast niet op wachten… We zijn in de laatste dagen, en net als in een zwangerschap wegen de laatste loodjes het zwaarst. De pijnen worden heviger. De rampen worden extremer, het verdriet wordt groter, de ziekten slaan heviger toe. De aarde zucht en kreunt, en wij puffen mee.
Kunnen we dat? Houden we dat vol? Het duurt al zo lang, de laatste dagen, vanaf Pasen al. Tweeduizend jaar bijna. En voor ieder mens geldt: het duurt al zo lang, heel mijn leven al. Alleen maar hopen, verwachten. Dat is nog eens wat anders dan negen maanden. Hoe houden we het vol om te blijven verwachten. De poort van het paradijs staat open, het koninkrijk is binnen bereik maar we kunnen er nog niet ín. En de satan is machteloos, maar plaagt ons nog iedere dag.
Hoe houden we het vol?
We houden het vol in de kracht van de Geest. Die is ons, zegt de apostel, als voorschot gegeven. Als voorschot op de erfenis, als onderpand op de hoofdprijs.
Hij is het die de gebakken peren eetbaar maakt. Die leven buiten het paradijs leefbaar maakt. Toch.
Soms vraag je je af: hoe houden mensen die niet geloven het toch uit in deze wereld. Soms lijkt het of zij het juist makkelijker hebben dan wij. Ze redden het zonder geloof, talen er vaak niet eens naar. Hoe zou dat komen?
Misschien doordat velen denken dat dit alles is. Er is geen paradijs. En als dit alles is, als er niets valt te verwachten, dan doe je het ermee. Laten we eten en drinken en feestvieren want morgen sterven wij.
Maar ons zijn de ogen geopend. Dit is niet alles. Hier beneden is het niet. Er is beter. Er is een verloren paradijs. We zijn in verwachting. En dan voel je de weeën. In die zin heeft de christen het moeilijker. Want de christen zucht mee.
Maar we doen dat: in hoop.
Amen.